Ik was in een stofzuigerwinkel des doods beland, gerund door een Dementor.

Blog Heerschop online een student die verhuist met een stofzuiger,Als je in je studententijd verhuist, pak je eerst je muziekinstallatie uit de boedelbak en als tweede de stofzuiger. Weet ik uit ervaring. En let op met de stofzuigerzakken. Sinds ik een Dyson (geweldige machine) heb, koop ik ze nooit meer, maar ze kunnen een heel gedoe opleveren. 

1986. Trots toon ik mijn vrienden m’n studentenkamer. Licht en ruim maar rommelig. Afgekrabde verfbladders, dooie vliegen. De
stofzuiger die ik gratis van een kennis kreeg, staat eenzaam in het midden. Er móet eerst gezo­gen worden maar er is geen zak.

Toevallig ken ik een winkeltje dat al generaties lang handelt in stofzuigers, binnen was ik er nog nooit. Ik erheen.

De etalage ziet er slordig geëtaleerd uit met allemaal stofzuiger-accessoires. Zak­ken, slan­gen, draaikop­pen, borstels,
verlengstukken, etc. Nietsvermoedend stap ik de winkel in, dit gaat lukken.

Binnen is er niemand te zien en het is erg stil. Het ruikt er naar huisstof, gek genoeg. Hoewel de deur­bel is gegaan
verschijnt er voorlopig geen bediende. Ik kijk om me heen. Alle wanden en ook de vloer zijn bedekt met schappen waarop honderden dozen, bakken, zakken en artikelen staan. Het winkeltje is meer een soort rommelige opslag.

Ik: “Hallo! Is er iemand ?”

Doodse stilte. Ook geluid van buiten dringt hier niet door. Het is een beetje unheimisch. Dan klinkt er een gestommel achter een
gor­dijn. Het doek wijkt en te voor­schijn komt een bijzon­der vreemd uitziende winkelier.

De man is enorm dik, hij past maar net door de deuropening. Kolossaal zijn z’n vlezige armen en handen. Groot is ook
zijn lelijke hoofd. Kaal en met vlezig afhangende wangen en lippen. Door een bril met zeer dikke glazen lijkt hij mij te doorstralen. 
Ik schrik, zoiets verwacht je niet.

Automa­tisch zeg ik: “Goedemiddag”. Dan blijkt de man ook nog een aller-akeligst stemgeluid te hebben. Rauw en
raspend, diep in z’n keel alsof hij bij elk foneem even rochelt. Buitengewoon onsmakelijk.

‘Mweeurrggguhge.’

Ik was in een stofzuigerwinkel des doods beland, gerund door een Dementor.

(Later, toen ik even als taxichauffeur werkte, reed ik eens een man die de Bijlmerramp had overleefd. Hij had niet
alleen een gesmolten en daarna weer gestold gezicht (ik schrijf dit met alle deemoed en respect) maar ook zwaar aangetaste stembanden waardoor z’n stem heel akelig raspend-fluisterend klonk. Dit was net zoiets.)

`Ik heb stofzuigerzakken nodig. Voor het merk “Dustcraft”, articuleer ik zorgvuldig.

De Dementor staart me door z’n jampotglazen doods aan en zwijgt. Na wat een idioot lange tijd lijkt, rochelt hij bot:

`Nooit van gehoord. Bestaat niet.’
`Eh, nou, jawel hoor. Het staat op het apparaat :”Dustcraft.” Ik heb het net nog nagekeken.
`Ik zit al veertig jaar in het vak. Ik ken het niet.’

Ik toon mijn briefje.

 `Kijk, je schrijft het zo. “Dustcraft”, ziet u?’
`O. Dusjkraf, zeg dat dan. Wat voor type?’

Dat wist ik natuurlijk niet, stom. Dus ik beschrijf het apparaat in de hoop dat hij het type herkent. Weer staart hij me aan zonder te knipperen. Doodeng.

`Zonder type begin ik niks.’

Ik hou ook maar een keer mijn mond. Zwijgend staren we elkaar aan. Het werkt:

`Is het een oudje?’
`Jaja, behoorlijk oud.’

De Dementor blijft me aanstaren, ik kan niet zien of hij nadenkt. Dan beweegt hij plots naar de wand. Hij trekt een wankel keukentrapje bij en bestijgt dit tergend langzaam. Ik zoek dekking anders word ik nog geplet ook door die spekberg. Hij rommelt wat in een doos en daalt hachelijk weer af. Met een air van absolute zekerheid gooit hij een zak op de toonbank.

`Deze moet je hebben.’
Ik twijfel. `Weet u het zeker? Ze zien er groter uit.’

De man kijkt me door z’n bril onbewogen aan met z’n wezen­loos hypnotiseren­de blik en zwijgt. Opnieuw.

`Nu, als u het zegt zal het wel goed zijn. Wat kosten ze?’
Rochel: `Veertienvijfennegentig.’

Ik betaal en haast me uit de winkel. Wat een kerel! Weer op m’n kamer blijkt: ze passen niet. Te groot.

Vriend Maurijn: ‘Dan ga je toch terug.’

Maar dat durfde ik niet. Ik heb er een randje afgeknipt. Lafbek.